Flinke naheffing belasting na niet voldoen aan voorwaarden BPM-teruggave taxi

//Flinke naheffing belasting na niet voldoen aan voorwaarden BPM-teruggave taxi

Een taxiondernemer die zijn taxi zou hebben gebruikt buiten het vervoeren van klanten om, kreeg voor enkele tienduizenden euro’s aan naheffingsaanslagen van de Belastingdienst aan zijn broek. Ook in hoger beroep bleef overeind dat hij niet had voldaan aan de voorwaarden voor BPM-teruggave en MRB-vrijstelling.

De man had jarenlang een taxibedrijf; eerst met een vennoot en later alleen. In 2014 werd een boekenonderzoek ingesteld. Hiermee wilde men nagaan of was voldaan aan alle voorwaarden die zijn verbonden aan de BPM-teruggaveregeling voor taxi’s (belasting personenauto’s en motorrijwielen). Bij dat onderzoek is vastgesteld dat de beide taxi’s in een flink aantal gevallen rijdend werden gezien, terwijl ze volgens de rittenstaat op die momenten niet of ergens anders reden. Dat werd vastgesteld met behulp van gegevens van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en camerabeelden.

BPM en MRB

De partijen waren het er wel over eens dat er terecht een bedrag van 5.800 euro aan BPM is nageheven. Dit komt omdat de tenaamstelling van één van de voertuigen op enig moment is veranderd, waardoor niet aan de zogenaamde driejaarstermijn is voldaan. Voor beide voertuigen is verder zowel een teruggave van de BPM als een vrijstelling van de MRB (motorrijtuigenbelasting) gevraagd en gekregen, wat bij taxi’s gebruikelijk is. Echter: die taxi moet dan wel vrijwel uitsluitend voor taxivervoer worden gebruikt. Omdat dit hier niet het geval zou zijn geweest, werd voor enkele tienduizenden euro’s aan naheffingen opgelegd.

Gebrekkige rittenstaten

Tijdens de zitting was het aan de taxiondernemer om aan te tonen dat het voertuig wel degelijk vrijwel alleen voor taxivervoer was gebruikt. Dat werd geprobeerd met behulp van facturen, verklaringen en omzetgegevens. De rittenstaten vertoonden weliswaar gebreken, maar dat zou een gevolg zijn van aanpassingen om op papier te voldoen aan de regels voor arbeid- en rusttijden.

Maar omdat de rittenstaten gebreken hebben, kunnen ze volgens het gerechtshof niet dienen als bewijs dat de auto’s nagenoeg helemaal zijn gebruikt voor taxivervoer. “Er is dus niet uitsluitend geschoven met gemaakte ritten, maar er zijn ook niet gereden ritten opgenomen (ter vervanging van andere ritten). De informatie in de rittenstaten is daardoor niet controleerbaar”, aldus het Hof.

Verklaringen van chauffeurs

Ook het verleende inzicht in omzet en facturen sleept het gerechtshof niet over de streep, omdat het een totaaloverzicht betreft en daarmee niet aantoont dat voor elke auto aan de regels voor vrijstelling en teruggave is voldaan. En de omzet per auto is gebaseerd op de rittenadministratie, waarvan als is vastgesteld dat die niet als bewijs kan dienen. Op de facturen staat ook niet welke ritten met welke van de twee auto’s zijn gemaakt. De verklaringen van chauffeurs die in dienst waren, legt het Hof eveneens naast zich neer. Zij reden namelijk in andere auto’s dan de twee waar het hier om gaat. Kortom: het hoger beroep is ongegrond en de naheffingen blijven van kracht.

Wil je ook elke week de gratis nieuwsbrief van TaxiPro ontvangen? Vul hier jouw e-mailadres in:

2019-11-07T08:38:08+00:00
Call Now ButtonWhatsApp